vrijdag 4 juni 2010

In Holland staat 1 huis

In de Volkskrant van vanochtend valt stevige kritiek te lezen op het model dat het Centraal Planbureau (CPB) heeft gebruikt om de woningmarktplannen van de politieke partijen door te rekenen. Ik word opgevoerd als één van de criticasters. Met de woningmarkthoogleraren Peter Boelhouwer en Hugo Priemus bevind ik me in uitstekend gezelschap. Altijd fijn.

Ook al is het vroeg in de ochtend als ik dit schrijf. En ook al lezen de treinreizigers om me heen vrijwel uitsluitend de Metro, de Spits en de Pers. Hadden zij de Volkskrant gelezen, dan was hun oog wellicht op de volgende passage gevallen: "Ook tussen prijscategorieën wordt geen onderscheid gemaakt. Terwijl de prijzen in de top van de markt in werkelijkheid veel gevoeliger zijn voor economische veranderingen dan starterswoningen." En dan komt het: "Het CPB is het niet met dit verwijt eens, maar kon die ontkenning gisteren niet nader toelichten." Ik zal zelf daarom maar even toelichten waarom ontkennen geen zin heeft.

Eén van de punten van kritiek op het CPB-model is dus dat het model net doet alsof alle huizenprijzen hetzelfde reageren op beleid. Of het nou een starterswoning is of een grote villa. Of de woning in Groningen staat dan wel in het centrum van Den Haag. Of het een appartement is of een eengezinswoning. In het CPB-model is het allemaal één pot nat.

Modelmatig werkt dat zo: in feite gaat het CPB er in de formules van uit dat er in Nederland maar één persoon woont. Het zogeheten 'representatieve subject'. Toevalligerwijze staat er ook één huis, dus dat komt goed uit. Een deel van dat huis is een koopwoning. Het andere deel is een huurhuis. Als huren duurder wordt, gaat het representatieve subject wat meer kopen. En als kopen duurder wordt, wil hij liever wat meer huren. In het model is er één prijs voor kopen en één prijs voor huren. Onderscheid tussen prijscategorieën maakt het model niet. Dit ontkennen lijkt me niet echt zinvol.

Nu zijn modellen altijd gestileerde weergaven van de werkelijkheid, dat kan ik op zichzelf goed billijken. En aan een model kun je blijven sleutelen, opdat het een steeds beter beeld geeft van de realiteit. Maar als je in je eigen model gaat geloven, wordt het link. En dat wordt het al helemaal als je kritiek van vakbroeders zonder toelichting gaat ontkennen.

1 opmerking:

  1. Beste Rob,

    in aanvulling op je verhaal:

    in de prijscijfers van koopwoningen van het CBS/Kadaster worden deze marktsegmenten wel onderscheiden, evenals hoekwoningen, rijtjeshuizen, appartementen en vrijstaande woningen. En dat is natuurlijk niet voor niets!

    Daarnaast: de commissie van Sociaal Economisch Deskundigen van de SER maakt ook gebruik van het model van het CPB. Voor huurhuizen is deze commissie van mening dat 'de huren eigenlijk niet zoveel verhoogd zijn' en dat er een groot verschil is tussen de werkelijke huren en de 'marktconforme' huren.

    Nu kun je er over kissebissen wat 'markconform' is. Elke markt kan op vele manieren worden vormgegeven wat betreft het onderhandelings- en contractproces en elke vorm kent weer zijn eigen prijsvorming. Waar niet over gekissebist kan worden is de verhoging van de huren die de afgelopen decennia heeft plaats gevonden. Tussen 1976 en 1999 zijn de huren elk jaar stelselmatig sterker verhoogd dan het algemene prijspeil, soms zelfs 3%. In zijn totaliteit resulteerde dit in een stijging van de huren die 60% hoger was dan het algemene prijspeil en die er, met de prijzen van energie, toe geleid heeft dat (volgens de meting van de bruto woonquote van het CBS zowel als de gegevens daaromtrent in de Nationale Rekeningen)nog nooit zo duur is geweest als in 2009. Uitgaan van een 'marktconforme' huur die 50% hoger is dan de huidige zou resulteren in een woonquote die voor veel mensen tegen de 50% aan komt te liggen... Anders gezegd: de helft van het netto inkomen gaat dan op aan huren, water, energie en plaatselijke lasten. In een dergelijke situatie spreken over het lage peil van de huren en huren die weinig verhoogd zijn geeft - en dat is levensgevaarlijk! - aan dat men inderdaad in het eigen model is gaan geloven, en geen boodschap meer heeft aan de realiteit. Helaas moet ik het dus totaal met je eens zijn. Overigens betreft het hier een bekende economenkwaal, men leze Galbraith er op na (J.K. Galbraith (1970), 'Economics as a system of belief' in: American Ec0nomic Review LX, 469-478).

    Merijn Knibbe

    Merijn Knibbe

    BeantwoordenVerwijderen