woensdag 21 juli 2010

Verticale reflex

Nog even over de hardleerse overheid. Ik gaf in mijn vorige blog al aan dat het hebben van ‘macht’ het lerend vermogen kan verminderen. Je hebt het voor het zeggen, dus denk je niet meer te hoeven leren. Als een overheid zo denkt, zie je twee dingen gebeuren.

Ten eerste zal de overheid bezuinigen op organisaties die juist bedoeld zijn om de overheid wél te laten leren. Ik doel onder andere op de officiële adviesraden. Het kabinet Balkenende 4 heeft al een begin gemaakt met het samenvoegen, stroomlijnen en reorganiseren van de adviesraden. De VROM-raad, het belangrijkste adviesorgaan op het gebied van de woningmarkt, staat op de nominatie om als zelfstandige raad te verdwijnen. De verwachting is dat er ook in de volgende kabinetsperiode flink gesneden zal worden in de zogeheten kennis- en adviesinfrastructuur.
Ten tweede zal de overheid proberen haar ‘macht’ steviger uit te oefenen. Veelal onder verwijzing naar het ‘primaat van de politiek’.

Bij complexe maatschappelijke vraagstukken, zoals de situatie op de woningmarkt, is het echter een illusie te denken dat je als overheid de problemen op deze wijze kunt oplossen. De ‘verticale reflex’ van zaken naar je toe trekken (we rule this country), verantwoordelijkheden toedelen (als we één minister verantwoordelijk maken en hem of haar daarop afrekenen, komt het vast goed) en het beleid op de tekentafel uitstippelen (we schrijven in het regeerakkoord dat het goed komt, dus dat is zo) is veel te beperkt.

Complexe vraagstukken kenmerken zich door ‘cognitieve’ en door ‘normatieve’ onzekerheden. Hebben we genoeg kennis in huis over de problematiek en over mogelijke oplossingsrichtingen? En zijn we het eens over de wenselijkheid van bepaalde oplossingen? Als hierover onduidelijkheden en verschillen van mening bestaan, dient de verticale reflex te worden gecorrigeerd door een horizontale beweging. Dat wil zeggen dat de overheid in zo’n geval moet samenwerken met maatschappelijke partijen.

Neem de woningmarkt. De problemen daar zijn buitengewoon complex en omvatten zowel de huur- als de koopsector, met grote uitstralingseffecten naar de economie en de gehele samenleving. Het vergt enorm veel informatie en expertise, waaronder praktijkkennis, om zaken die decennia lang zijn scheefgegroeid in het gareel te krijgen. Ook zijn er normatieve verschillen van opvatting, onder andere samenhangend met uiteenlopende visies op de inkomensverdeling in Nederland. Moeten huurders meer gaan betalen? Is de hypotheekrenteaftrek een eerlijk systeem? Etc.

Wil de overheid de problemen op de woningmarkt echt grondig aanpakken, dan zal zij voor de beantwoording al dergelijke complexe vragen onontkoombaar de verbinding moeten zoeken met belangrijke maatschappelijke partijen. Met partijen die al jarenlang op de woningmarkt actief zijn. Want juist bij die partijen zit immers ontzettend veel kennis van de praktijk en juist zij weten met welke maatschappelijke belangen bij het vinden van oplossingen rekening moet worden gehouden.

Een Stichting van het Wonen is dan een uitstekend vehikel. Zo kan de macht die de overheid heeft om wet- en regelgeving te veranderen, worden aangevuld met de benodigde kennis die maatschappelijke partijen hebben en de maatschappelijke belangen die zij vertegenwoordigen. En zo ontstaat het maatschappelijke draagvlak om een daadwerkelijk een nieuwe koers in te zetten op de woningmarkt. Graag hoor ik uw mening hierover.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen