donderdag 19 augustus 2010

Meten en persen

Als burger merk je er eigenlijk vrij weinig van dat we op dit moment geen echt kabinet hebben. Dat is een hele geruststelling. Waar de gewone Nederlander vermoedelijk ook weinig tot niets van zal merken, is of het nieuwe kabinet 11 of 16 ministers zal tellen. Of een ander aantal. En hoeveel staatssecretarissen er in den Haag rondlopen. En of er straks daadwerkelijk ministeries bij elkaar gevoegd gaan worden, zoals wel wordt voorspeld. Toch houdt dit soort vragen de gemoederen in ambtelijk Den Haag sterk bezig.

Veel mensen zullen denken: lekker belangrijk! Stel er komt, zoals iedereen verwacht, geen nieuwe minister voor Wonen, Wijken en Integratie. Dan zal de minister van VROM het 'wonen en wijken'-dossier er wel gewoon bij doen. Of misschien komt er zelfs helemaal geen minister van VROM meer. En wordt VROM samen met Verkeer en Waterstaat gecombineerd tot een ministerie van Ruimte. Misschien komen er dan meer staatssecretarissen? Dat is wel te hopen, want veel ministers zitten nu al een groot deel van de week in de Tweede Kamer, en dat wordt alleen maar meer als zij verantwoordelijk worden voor een groter beleidsterrein. Maar de burger leest het in de krant en denkt: het zal wel.

Op zichzelf kan de samenvoeging van departementen of onderdelen daarvan leiden tot minder 'verkokering' van beleid. Dat is winst. Maar een garantie daarvoor is het samenvoegen van dienstonderdelen zeker niet. Iedereen die ooit bij de Rijksoverheid heeft gewerkt, weet dat er ook binnen één en hetzelfde departement erg veel verkokering kan bestaan, zeker als het een heel groot ministerie is. Ambtenaren kennen vaak hun 'counterparts' op andere ministeries beter dan dat zij hun 'collega's' kennen van een geheel andere afdeling op hetzelfde ministerie. En van alleen de bordjes verhangen ('u bent nu in dienst van het ministerie van Ruimte') mag je sowieso nooit veel verwachten.

Bovendien: hoe meer er geschoven gaat worden met mensen en dienstonderdelen, hoe meer interne energie dit zal kosten. Denk eens aan alle heidagen, kennismakingsbijeenkomsten, teambuilding, cultuurprogramma's die in het verschiet liggen. Al met al zullen ambtenaren de eerste tijd na de formatie vooral met zichzelf en elkaar bezig zijn. Temeer omdat er met het oog op de bezuinigingen tevens veel ambtenaren ontslagen moeten worden en er ook daarvoor allerlei reorganisatieplannen en procedures moeten worden ontwikkeld. En ook dit gaat weer gepaard met bijeenkomsten, interne communicatie en peptalk. Verandermanagers en trainers verdienen er een goede boterham aan en houden wellicht zelf geld over om te beleggen. Ondertussen wordt het meten en persen. Zeker als dienstonderdelen fysiek bij elkaar worden geplaatst in één gebouw. Of in andere gevallen juist uit elkaar getrokken om ruimte te maken voor anderen.

Enfin, spannende tijden voor de ambtenaren. Maar de burger merkt er weinig of niets van. Kunt u zich herinneren wat u dacht toen Cultuur verhuisde naar OCW? Of toen Telecommunicatie en Post werd overgeplaatst van VenW naar EZ? Niets toch? Het is een interne aangelegenheid. Intern gerichte energie.

Waar de burger wel iets van zou kunnen merken, is als de keuze voor minder ambtenaren en voor het anders organiseren van de Rijksdienst gepaard zou gaan met het opnieuw definiëren van beleidstaken. Met het stellen van prioriteiten ('in dit beleid stoppen we voortaan meer energie'). En dus ook met het stellen van posterioriteiten ('dit doen we voortaan niet meer'). Het afstoten van bepaalde taken betekent dat de overheid meer verantwoordelijkheid zal moeten laten bij de samenleving zelf. Bij burgers en bij maatschappelijke organisaties.

Een overheid die zich terugtrekt op haar kerntaken en een grotere verantwoordelijkheid laat bij maatschappelijke organisaties, zou voor de woningmarkt een zegen kunnen zijn. Het kan leiden tot minder overheidsbemoeizucht via gedetailleerde regelgeving, bijvoorbeeld in de sfeer van de ruimtelijke ordening. En de kennis en ervaring van maatschappelijke organisaties wordt beter benut. De overheid zou stevig aanwezig moeten zijn als het gaat om het formuleren van de ambities op hoofdlijnen (een beter functionerende woningmarkt, koop én huur). Maar de uitwerking en realisatie zou nadrukkelijk samen met maatschappelijke organisaties (Stichting van het Wonen) kunnen worden opgepakt. En op welk departement de verantwoordelijk ambtenaren dan hun kantoor hebben, of welke titel de verantwoordelijke minister dan precies heeft, dat maakt ons niet zoveel uit.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen